Search

Schrijf een verhaal voor je (klein)kind

Veel vrienden, kennissen en klanten van mij zijn grootouders. Ze vertellen mij bijna allemaal hoe erg ze hun kleinkinderen missen. Voor hen is de grootste pijn die deze Coronacrisis met zich meebrengt dat ze hun liefste patatjes niet kunnen knuffelen, voelen, dichtbij zich hebben. In het beste geval mogen ze ze even zien aan het raam of van op een afstandje aan het tuinhek.

Mis jij je kleinkind ook zo?

Misschien kan het helpen om iets te creëren voor je kleinkind. Dan verbind je even diep met je lieve schat en laat je uit het gemis iets moois geboren worden, dat je dan met hem of haar kunt delen. Straks voorlezen in het echt, of nu al met Zoom of Skype.

Nog leuker wordt het als je kleinkind tekeningen maakt bij jouw verhaal. Dan creëren jullie iets samen, al ben je niet samen.


In deze blog begeleid ik je stap voor stap bij het verzinnen en schrijven van een leuk, gepersonaliseerd voorleesverhaal voor je kleinkind.

Natuurlijk kan iedereen die een verhaal wilt schrijven voor een kind, of het nu je kleinkind, je kind, je petekind of een buurmeisje is, dit stappenplan gebruiken.

Hoe meer mooie kinderverhalen worden geschreven, hoe mooier de wereld is.

Dus vooruit, als je er zin in hebt: go for it!


Stap 1 Kies een dier als personage

Wat is het lievelingsdier van je kleinkind?

Dat dier wordt het hoofdpersonage van je verhaal.

Heeft je kleinkind meerdere lievelingsdieren, dan kies je er één, en de andere kunnen nevenpersonages worden.

Het leuke aan een dier als hoofdpersonage is dat je het zowel eigenschappen van een kind kan geven (van jouw kleinkind) als eigenschappen van een dier.

Geef het dier een leuke naam. Dat kan de naam van je kleinkind zijn, maar je mag ook een andere naam kiezen.

Wat is de meest opvallende karaktereigenschap van je dier? Het is leuk als je het dier laat lijken op je kleinkind. Een lievelingsdier reflecteert heel vaak eigenschappen die het kind zelf heeft! Bijvoorbeeld een pinguin die dol is op knuffelen. Of een vos die heel slim is. Of, zoals in mijn prentenboek ‘Lenny en zijn kleine vriend’, een super lieve leeuw die voor van alles bang is.


Hoe oud is je kleinkind? Geef het dier ongeveer dezelfde leeftijd. Je laat het dier straks in het verhaal denken, voelen en praten zoals je kleinkind dat doet.

Om je inspiratie te laten stromen, kun je een klein onderzoek doen rond jouw dier. Stel jezelf de volgende vragen en laat een antwoord opkomen. Blijf in gedachten verbonden met je kleinkind. Geef je dier vorm geïnspireerd op hoe jouw kleinkind is.

  • Wat doet jouw dier graag?

  • Met wie gaat jouw dier om? Welke dieren zijn zijn of haar vrienden?

  • Waar woont hij en met wie?

  • Wat doet je dier graag?

  • Wat kan je dier goed?

  • Wat vindt je dier moeilijk?

  • Waar droomt je dier van?

  • ...

Je kunt zelf vast nog vragen bedenken!


Stap 2 Geef je dier een probleem

De tweede stap is het bedenken van een probleem. Elk verhaal draait om een probleem dat opgelost moet worden.

Met welk probleem wordt het dier in je verhaal geconfronteerd? Denk aan iets waar je kleinkind het in het echte leven moeilijk mee heeft. Bijvoorbeeld zijn schoenveters binden, in slaap vallen, iets graag willen maar niet mogen...

Het werkt het best voor je verhaal als het probleem op een of andere manier te maken heeft met de belangrijkste karaktereigenschap van je dier.

De pinguin die van knuffelen houdt mist haar oma bijvoorbeeld. Of de slimme vos moet een moeilijk raadsel oplossen. De bange leeuw uit mijn prentenboek belandt in een boom waar hij niet meer uitdurft.


Stap 3 Bedenk drie gebeurtenissen die te maken hebben met het probleem


Welke drie voorvallen kan je dier in verband met het probleem beleven? Die gebeurtenissen kunnen pogingen zijn van je dier om het probleem op te lossen, die telkens mislukken. Je zult hier waarschijnlijk minstens één nevenpersonage nodig hebben dat een rol speelt in de gebeurtenissen. Je mag zo veel personages opvoeren als nodig is voor je verhaal, maar niet meer! Hou het zo eenvoudig mogelijk. Kies als nevenpersonages ook dieren die je kleinkind leuk vindt.

De pinguin die de knuffels van oma mist, kan dat bijvoorbeeld proberen op te lossen door met haar knuffeldieren te knuffelen. Maar ze voelt dat het niet hetzelfde is. Dan kan ze met haar mama knuffelen. Maar mama is oma niet, het is toch niet helemaal hetzelfde. Dan kan ze knuffelen met mama en papa tegelijk! Maar ook mama en papa samen zijn oma niet...

In mijn prentenboek ‘Lenny en zijn kleine vriend’ beleeft Lenny de volgende dingen:

- In de boom waar hij niet uit durft, krijgt hij bezoek van een muis. Eerst is hij bang voor de muis, maar dan worden ze vrienden.

- Het wordt donker en tijd om naar huis te gaan, maar Lenny durft niet meer uit de boom.

- De muis gaat hulp halen, maar Lenny is bang om alleen achter te blijven.


Stap 4 Bedenk een échte oplossing voor het probleem

Kies iets wat niet voor de hand ligt. Probeer een oplossing te vinden die grappig, onverwacht, ontroerend of origineel is.

Onze knuffelpinguin kan bijvoorbeeld met haar oma telefoneren, en oma vertelt een verhaal waarin ze heel levendig beschrijft hoe een oma-pinguin en een kind-pinguin elkaar knuffelen. En onze pinguin leeft zo mee met het verhaal, dat ze de knuffels echt kan voelen.

Het hoeft ook niet realistisch te zijn. Laat je fantasie de vrije loop.

Onze pinguin kan bijvoorbeeld een knuffelpak ontwerpen, dat beschermt tegen ziek worden en waarmee je elkaar toch kunt knuffelen.

Als je dier zelf een actieve rol speelt in de oplossing, maakt dat je verhaal nog sterker. Zo overwint de leeuw uit mijn verhaal uiteindelijk zijn angst zelf, omdat hij zijn beste vriend om hulp hoort roepen. Dat maakt zijn beschermersinstinct wakker en hij redt zijn vriend van een enge wolf.


Stap 5 Bedenk hoe je personages op de oplossing reageren

In heel veel kinderboeken zijn de personages zo blij dat het probleem opgelost is, dat het boek eindigt met een feest met taart of pannenkoeken. Jij mag natuurlijk iets anders bedenken!


Stap 6 Bedenk een titel voor je verhaal


Stap 7 Schrijf je verhaal uit


Nu je al je verhaalelementen hebt, ga je het verhaal schrijven volgens dit universele verhaalschema:

  • de voorstelling van de personages

  • de probleemstelling

  • de gebeurtenissen

  • de oplossing

  • de reactie van de personages op de oplossing

Opmerking

Heel veel prentenboeken zijn rond dit universele verhaalschema opgebouwd. Heb je meer inspiratie nodig, kijk dan eens in een prentenboek dat je zelf in huis hebt en kijk of je het probleem en de verschillende gebeurtenissen rond dat probleem kunt terugvinden.

Belangrijk!

Zet de eerste versie van je verhaal zonder veel nadenken op papier. Schrijf door, van begin tot einde. Nalezen, fouten eruit halen en zinnen en woorden gaan schrappen doe je pas later, als je eerste versie helemaal klaar is!

Begin met een kort stukje waarin je je dier voorstelt. Je gaat niet letterlijk over hem vertellen, maar laat hem iets kleins meemaken waardoor de lezer ziet hoe je dier is. Focus op die ene karaktereigenschap die je wilt tonen aan de lezer.

Dit stukje tekst wordt de inleiding van je verhaal. Je geeft ook een beetje informatie mee over waar en wanneer het verhaal zich afspeelt. Veel hoeft dat niet te zijn! Een stukje van een tiental zinnetjes is al voldoende.

Het kan zijn dat je een tweede personage nodig hebt om de karaktereigenschap duidelijk te maken. Zoals in dit eerste stukje van mijn prentenboek ‘Lenny en zijn kleine vriend’:

Op een zonnige dag loopt Lenny de leeuw door het bos. Hij loopt op het pad naast het meer.

Opeens trippelt er een muis over het pad.

- Eek! gilt Lenny.

Zo snel als een speer klimt hij in een boom. Op de hoogste tak blijft hij zitten.

Hij kijkt bang naar beneden. Is de muis daar nog steeds?


In dit stukje laat ik zien dat Lenny de leeuw erg bang is door hoe hij reageert op een kleine muis.

Schrijf nu een kort stukje waarin je het probleem van je dier laat zien.

Als je in de inleiding nog geen tweede personage hebt opgevoerd, dan ga je dat nu doen.


Ja, de muis is er nog steeds. Hij kijkt Lenny met zwarte, blinkende oogjes aan.

- Wat doe jij daar boven in die boom? vraagt de muis verbaasd. Je bent toch niet...bang van mij?

- Ja, lach me maar uit, zegt Lenny verdrietig. Een bange leeuw. Daar moet iedereen toch om lachen?

- Ik lach je niet uit, zegt de muis. Ik kan het gewoon niet geloven. Ik ben zo klein en jij bent zo groot. In één hap kun je me verslinden. En toch ben jij bang van mij.

- Ja, zegt Lenny en hij zucht.

- Ik doe je geen kwaad, hoor, zegt de muis. Ik ben Hendrik. Wil je mijn vriend zijn?

Lenny kijkt aarzelend naar Hendrik. Hendrik ziet er inderdaad niet gevaarlijk uit. Hij kijkt zelfs heel lief.

- Dat is goed, zegt Lenny. Ik heet Lenny.

- Fijn, Lenny! zegt Hendrik blij. Kom maar uit de boom, dan gaan we spelen!

Lenny kijkt bang naar beneden.

- Ik durf niet! zegt hij. Het is veel te hoog!


Schrijf de drie gebeurtenissen uit, drie pogingen van je personage om het probleem op te lossen.

Maximum 20 zinnen per gebeurtenis, het mag ook korter.

Schrijf de oplossing uit, en beschrijf de reactie van je personages op de oplossing. Ook hier zijn een tiental zinnetjes voldoende.

Lees nu je eerste versie na. Voeg toe wat nog ontbreekt en schrap overbodige stukjes tekst, zinnen en woorden. Lees je verhaal hardop voor jezelf om te horen of het ritme en de klanken goed zitten. Pas hier en daar nog aan en...

Klaar!

En nu gauw je verhaal voorlezen aan je kleinkind.

Ik wens je heel veel plezier en verbinding met het schrijven én het voorlezen aan je liefste schat.


Warme groet,

Agatha

8 views

Contact

  • Instagram
  • Facebook

© 2020 Agatha Cornelia